Tussenkomst van Ine Somers bij de bespreking Van het voorstel van resolutie betreffende epilepsie

Epilepsie is een aandoening die 60.000 mensen treft in ons land en die een niet te onderschatten impact heeft op het leven van deze patiënten, op vlak van gezondheid, maar ook op sociaal-economisch vlak. Ik wil dan ook de initiatiefneemster van NV-A en de initiatiefnemer van MR feliciteren met hun respectievelijke resoluties. Beiden hebben ze ons getriggerd om te onderzoeken  welke maatregelen noodzakelijk zijn om stappen vooruit te zetten.

Deze resolutie was het voorwerp van een interessante wisselwerking tussen meerderheid en oppositie binnen de commissie volksgezondheid en ik denk dat dit parlementaire engagement vanuit alle partijen geleid heeft tot een stevige tekst die de intentie heeft te werken aan een aantal problemen.

Vanuit onze fractie denken we dat het belangrijk is dat we een goed zicht krijgen op de problematiek. De registratie zoals voorgesteld in de resolutie is absoluut wenselijk, maar in een generieke registratie kan je ook niet alles opnemen. Omdat indirecte kosten registreren moeilijk is, hebben we voorgesteld om ook via een steeksproefgewijs onderzoek samen met de gegevens uit het register de gezondheidseconomische en sociale impact van epilepsie in kaart te brengen. De inzichten die we op die manier verwerven kunnen dan de basis vormen voor beleidsinitiatieven.

We vragen ook kwaliteitsindicatoren voor diagnostiek, behandeling en levenskwaliteit van patiënten. Op die manier kunnen we opvolgen in welke mate het beleid zijn doel bereikt en opnieuw waar eventueel moet worden bijgestuurd.

Een duidelijk probleem dat in de resolutie wordt geschetst is de onvoldoende kennis bij patiënten en zorgverstrekkers van de behandelopties. Dus daar willen we écht op in zetten. We zien vandaag dat mensen niet snel genoeg worden doorverwezen naar referentiecentra. Goede informatieverstrekking aan patiënten, artsen en zorgverstrekkers kan hier snel verbetering in brengen.

Tenslotte denken we dat we moeten kijken naar de oorzaken van de wachtlijsten bij de referentiecentra. We zijn in dat opzicht niet alleen. Ook in de ons omringende landen bestaan die, maar we wensen te onderzoeken waarom er wachtlijsten zijn.

We zijn ook blij met het amendement van CD&V dat ons er op attent heeft gemaakt dat we voldoende de rol van de eerste lijn moeten benadrukken die uiteraard altijd moet kortsluiten met de specialist en het referentiecentrum. We denken immers dat die eerste lijn een cruciale rol heeft bij het begeleiden van de patiënt, in het bijzonder op het vlak van therapietrouw. In die zin denken we ook dat het amendement van mevrouw Jironflée interessant is. Wanneer we vooruitgang moeten boeken is het kijken hoe we die begeleiding kunnen verbeteren essentieel en het inschakelen van een referentieverpleegkundige is niet noodzakelijk hierbij dé oplossing. Die begeleiding moet gebeuren kort bij de patiënt. En ik denk dat dan de eerste lijn weer in beeld komt.