Tussenkomst plenaire – Wetsontwerp inzake de geestelijke gezondheidszorg

Voor wie geïnteresseerd is in het wetsontwerp betreffende de uitoefening van de geestelijke gezondheidsberoepen (waaronder psychotherapie) hierbij mijn tussenkomst van woensdagavond 29/06/2016 in de plenaire zitting van de Kamer:

“De zorg voor psychisch lijden is de afgelopen decennia een steeds groter wordende uitdaging geworden. Het is de kernopdracht van een overheid om de randvoorwaarden voor een kwalitatieve zorgverlening voor patiënten met psychische problemen vast te leggen. De bijdrage van dit ontwerp daartoe kan niet overschat worden.
Dit ontwerp creëert een robuust kader voor de erkenning van zorgverleners in de geestelijke gezondheidszorg en in tegenstelling tot wat sommige collega’s zeggen zal er na de inwerkingtreding van deze wet nog altijd een zeer ruime diversiteit aan zorgverleners bestaan, meer diversiteit zelfs dan wat de huidige wet mogelijk maakt. Het verwijt van de verschraling is dan ook onterecht.
Eerst en vooral hebben we de regeling voor de toekomst : klinisch psychologen, klinisch orthopedagogen en artsen die daartoe een bijkomende opleiding psychotherapie hebben gevolgd zullen in de toekomst psychotherapie kunnen toepassen.
Daarnaast voorzien we in bijzondere ruime overgangsmaatregelen, voor wie vandaag werkt, voor wie vandaag of in september zijn studie psychotherapie aanvat en zelfs voor wie in september een vooropleiding als beroepsbeoefenaar in de zin van de wet van 10 mei 2015 of een andere bachelor aanvat. Wie een beroepsbeoefenaar is zal het beroep van psychotherapeut autonoom kunnen uitoefenen en wie een andere bacheloropleiding als vooropleiding heeft zal zijn beroep kunnen uitoefenen onder verantwoordelijkheid van een psychotherapeut.
Het wetsontwerp voorziet ook in de mogelijkheid om andere beroepsbeoefenaars toe te laten tot de opleiding psychotherapie. Er is dus nog ruimte voor nog meer diversiteit.
En geheel nieuw is het feit dat we voorzien in de wettelijke basis voor het creëren van ondersteunende geestelijke gezondheidszorgberoepen. Op die manier zullen in de toekomst ook bachelors hun plaats kunnen innemen in de zorg voor mensen met een psychische aandoening. Wij zien dat artsen, tandartsen vandaag vragende partij zijn voor ondersteunende beroepen omdat de werkdruk te groot is. Hetzelfde geldt voor de geestelijke gezondheidszorg. Ook daar zijn de noden groot en dus ook de vraag naar ondersteunende beroepen die welbepaalde taken voor hun rekening zullen kunnen nemen. Ik ben dus niet bevreesd dat deze ondersteunende beroepen er niet zouden komen.
Vanuit de oppositie wordt diversiteit nog al eens verward met kwaliteit.
In de fysieke geneeskunde vinden we het allemaal evident dat er evidence based gewerkt wordt, dat de opleiding voldoende stevig is, dat er een hiërarchie is in de taken van zorgverleners in functie van hun gehaald diploma. Die lijn trekken we door in de psychische geneeskunde. Ook patiënten met psychische noden hebben recht op een geestelijke gezondheidszorg die gebaseerd is op evidence based practice.
Dit ontwerp scherpt dan ook een aantal kwaliteitsvoorwaarden aan. Het ontwerp verstrengt de vooropleiding voor psychotherapeut omdat het essentieel is dat de psychotherapeut een brede kennis heeft en dus ook onderliggende problematieken kan herkennen en gepast kan doorverwijzen naar zorgvestrekkers met een andere specialiteit, ook naar collega’s met een specialiteit in de fysieke gezondheidszorg.
Het ontwerp voert de professionele stag in voor klinisch psychologen en klinisch orthopedagogen omdat we van mening zijn, dat er onvoldoende praktijkervaring aanwezig is in de huidige opleiding om te kwaliteitsvolle zorg te kunnen verlenen.
We voeren een getrapt systeem in van wie wel of niet autonoom psychotherapie mag beoefenen en dit rekening houdend met de vooropleiding. Het werken onder verantwoordelijkheid vergt trouwens geen fysieke aanwezigheid van de verantwoordelijke bij de therapie. Het moet eerder gezien worden als een multidisciplinaire samenwerking.
We voegen de psychotherapie in in de wet van 10 mei 2015. Dat biedt de overheid de nodige instrumenten om de charlatans uit de zorg te halen. Klinisch psychologen, klinisch orthopedagogen en artsen worden gevat door de wet op de gezondheidszorgberoepen en vallen dus ook onder de controle- en sanctiemogelijkheden van deze wet. Voor wie een andere vooropleiding heeft genoten, werken we wie de autonome psychotherapeut onder wiens verantwoordelijkheid de psychotherapeuten werken die niet autonoom mogen werken. Op die manier sluiten we het net en wordt de veiligheid van elke patiënt bewaakt.
In dit ontwerp maken we geen melding meer van de stromingen binnen de psychotherapie. We denken dat in een gezondheidszorgdomein dat in volle evolutie is het niet wijs is om stromingen vast te leggen in een wet en bijgevolg zorgverleners vast te pinnen op één stroming. In functie van de noden van de patiënt moet de psychotherapeut die technieken kunnen toepassen die effect zullen hebben voor de patiënt ongeacht de stroming waartoe te techniek behoort.
Het verwijt dat niet meer gewerkt mag worden met private instellingen is niet correct. Door samenwerkingsakkoorden te sluiten met hogescholen en universiteiten zullen zij worden opgenomen in het reguliere onderwijs. Ik kan in alle eerlijkheid alleen maar voordelen zien voor deze private instellingen. Een samenwerking biedt een belangrijke kans op een opwaardering en laat hen toe hun studenten erkende diploma’s aan te bieden. De samenwerking tussen hogescholen, universiteiten en private instellingen moet ertoe leiden dat de toekomstige psychotherapeut zowel op theoretisch als op praktische vlak een gedegen opleiding ontvangt die zal toelaten kwalitatief hoogstaande zorg te verlenen aan de patiënt.
Met dit ontwerp lossen we ook een aantal praktische problemen op die zich stelden met betrekking tot de federale raad. Van drie raden gaan we naar één raad met drie banken, voorzien we in een mogelijkheid van een minderheidsstandpunt en lossen we de problematiek van de afwezigheid van de klinische orthopedagogen in Wallonië op door te werken met klinische orthopsychologen.
Het is droevig dat sommige Franstalige politici van deze materie een communautaire discussie hebben gemaakt. Ik stel echter vast dat bij de faculteiten geneeskunde in Vlaanderen en Wallonië die tegenstelling niet bestaat. Daar heeft de rede het duidelijk gewonnen van de emo.
Ik concludeer. Dit ontwerp trekt de kaart van de patiënt met geestelijke gezondheidszorg en vanuit het recht van die patiënt op een kwalitatieve geestelijke gezondheidszorg creëert dit ontwerp de noodzakelijke randvoorwaarden inzake opleiding voor klinisch psychologen en klinisch orthopedagogen en inzake de vooropleiding en opleiding van de psychotherapeut.
Dit dossier heeft een lange voorgeschiedenis in dit parlement. We finaliseren vandaag het wettelijk kader en nu ligt de weg open voor het debat over de terugbetaling.”