Mondelinge vraag – BEHANDELING LONGKANKER VRAAGT OM SPECIALISATIE

Tijdens de commissie Volksgezondheid van 21 juni 2016 ging Ine in debat met Minister De Block. Specifiek over het rapport van het KCE dat grote verschillen in het succes van de behandeling van longkanker in kaart heeft gebracht.

Longkanker is een kanker waarbij de vooruitzichten somber zijn.  Deze vooruitzichten worden bovendien negatief beïnvloed door kleinere volumes aan ingrepen in de zorginstelling. De KCE studie brengt dit duidelijk in kaart. De longkankerchirurgie is sterk versnipperd in België. De helft van onze centra, 55 op 85, voert minder dan 10 ingrepen per jaar uit. Slechts negen centra doen er jaarlijks 40 of meer.

In de studie werd vastgesteld dat:

– een zeer laag jaarlijks volume gepaard gaat met een hogere postoperatieve mortaliteit

– een positieve relatie bestaat tussen volume en kans op eerstejaarsoverleving

– de mortaliteit op korte termijn, zestig dagen, duidelijk hoger ligt  in de centra met een zeer laag volume

Men kan dus stellen dat een chirurgisch volume van minstens 10 ingrepen per jaar nodig is om de mortaliteit op korte termijn te beperken.

De rapporten van het KCE tonen een heel duidelijke versnippering van de zorgverlening in ons land aan voor courante en voor zeldzame tumoren. Ine merkte immers op dat het KCE in het verleden al tot gelijkaardige conclusies is gekomen inzake maag- en slokdarmkanker. Wij hebben het dus niet alleen over de behandeling van longkanker. Men zou meer en meer naar centralisatie moeten gaan bij het behandelen nadat de diagnose gesteld is. Het KCE raadt dan ook aan om na te gaan of er geen minimum moet worden ingevoerd in het kader van het aantal ingrepen dat men al dan niet mag doen, om zo tot betere postoperatieve cijfers te komen.

Concreet vroeg Ine aan de Minister in welke mate zij bij de hertekening van het ziekenhuislandschap met de resultaten uit die studies rekening zal houden,  welke timing voor ogen wordt gehouden en hoe er zal te werk gegaan worden.

In haar antwoord stelde de minister dat elke patiënt, in welk ziekenhuis hij zich ook bevindt, recht heeft op de best mogelijke zorgen. Soms is het nodig om een patiënt te verwijzen naar een ander centrum dat wel de expertise in huis heeft voor een behandeling. Dat geldt bijvoorbeeld voor longkankerchirurgie, maar ook voor andere complexe oncologische chirurgische ingrepen, zoals slokdarm- en pancreaschirurgie, waar de outcome samenhangt met het volume van het aantal ingrepen dat uitgevoerd is. Die outcome gaat zowel over de overlevingskansen als over de kwaliteit van het leven na de ingreep, twee toch wel zeer belangrijke zaken voor de patiënt.

De Minister wees er tevens op dat In onze buurlanden reeds zeer transparant gecommuniceerd wordt over de zorgkwaliteit, en dat niet langer op vrijwillige basis. Ook in België stellen wij die maatschappelijke evolutie vast en leeft de vraag van de patiënt naar meer transparantie. Het lijkt ook steeds onlogischer om het begrip empowerment van de patiënt in de mond te nemen en tegelijkertijd de patiënt niet systematisch toegang tot informatie over kwaliteit van behandelingen en outcome te geven.

De Minister wil daarom onderzoeken of en op welke wijze de resultaten van de monitoring van de kwaliteit en de outcome ( de meerwaarde van de behandeling voor de patiënt) openbaar gemaakt kunnen worden. Recent heeft zij daarover in Londen nog gesproken op de ICHOM-conferentie.

De minister bevestigde dat zij op relatief korte termijn complexe kankerchirurgie willen concentreren in gespecialiseerde centra, met name in centra waar er aangepaste infrastructuur, apparatuur en expertise beschikbaar zijn en waar multidisciplinaire teams een voldoende groot aantal patiënten met dergelijke aandoeningen behandelen. Daartoe worden op dit ogenblik verschillende pistes onderzocht.

Dit kan op verschillende manieren zoals bijvoorbeeld:

Tevens wordt onderzocht aan welke criteria moet worden voldaan om de behandeling te mogen uitvoeren. Een van de parameters daarbij is mogelijk een minimumaantal behandelingen per team.

De ziekenhuizen worden tevens aangemoedigd om meer samen te werken en zich te laten inspireren door het model van shared care dat ook door het Kenniscentrum werd aanbevolen, zeker wat betreft oncologische behandelingen. Die samenwerking gaat zowel over de behandeling als over het doorverwijzen en terugverwijzen van patiënten voor sommige behandelingen. De expertise wordt daarbij gebundeld in zogenaamde centers of reference of gespecialiseerde centra.

De basiszorg moet echter blijven gebeuren in het ziekenhuis dat de patiënt heeft gekozen stelt de minister. Het gaat niet over een doorverwijzing van een patiënt die men nooit meer terugziet. Voor de basiszorg wordt de patiënt terugverwezen. Dat zou een optimale zaak zijn voor de patiënt. Daar wordt hard aan gewerkt, in samenwerking en overleg met het terrein. Dat is essentieel stelt de Minister. Hervormingen van het ziekenhuislandschap gaat samen met de financiering ervan. Finaal stelt de Minister dat het doel blijft echter om naar netwerken te gaan waar kwalitatieve en zeer efficiënte zorg wordt beoogd in heel het land.

Ine bevestigde dat zij het heel belangrijk vindt dat er een aanmoediging komt om samen te werken en aan netwerking te doen en dat de vraag hiertoe vanop het terrein zelf komt, maar dat er ook wordt nagedacht hoe men die evolutie verder kan stimuleren vanuit de overheid.

Een oplossing dringt zicht op, in het belang van de patiënt, wat ook door de Minister werd bevestigd. Er wordt momenteel aan adviezen gewerkt hetgeen belangrijk is voor de verder aanpak van deze vaststellingen.